Natuurkrachten

De Waddenzee is één van de laatste grote getijdengebieden waar de natuurkrachten hun gang kunnen gaan zonder teveel beïnvloed te worden door menselijke activiteiten . Het samenspel tussen de activiteiten van planten en dieren en de natuurkrachten, zoals wind, stroming, getijden en golven, zorgen er voor dat de Waddenzee steeds maar weer verandert.

Overstromen en droogvallen

Stroming en zandtransport

Twee keer per dag stroomt het Noordzeewater de Waddenzee binnen. Dan overstromen de wadplaten met water. Twee keer per dag stroomt het water er ook weer uit. Dan vallen de platen weer droog. De kracht die hier achterzit is het getij. Getijdenstromen zijn in alle oceanen op aarde te vinden. De getijden worden veroorzaakt door de aantrekkingskracht van aarde, maan en zon. Water is buigzaam. Wanneer de maan aan de aarde trekt, buigt de watermassa omhoog. Dit veroorzaakt hoogwater langs de kusten. Op andere plaatsen wordt het water daardoor weggetrokken, daar is het dan laagwater. Als de Waddenzee na hoogwater leegstroomt is het eb, als hij weervol stroomt is het vloed. Omdat het verschil in tijd tussen hoogwater en laagwater iets meer dan 6 uur is, schuif het getij elke dag op.

Het zeewater komt bij vloed niet altijd even hoog en bij eb niet altijd even laag. Dit heeft te maken met de stand van de maan en de zon. Ook de windrichting kan bepalen hoe hoog of laag het water komt. Met volle en nieuwe maan is de hoogte van de getijden extreem. In deze gevallen speelt de aantrekkingskracht van de zon een rol. Dan staan de zon, de aarde en de maan in één lijn. Wanneer de zon en de maan een driehoek vormen met de aarde, zijn de verschillen tussen hoog- en laagwater juist minder dan gemiddeld. Met sterke oostenwind wordt het water letterlijk weggeblazen en kan de Waddenzee ondieper zijn. Bij sterke westenwind blijft er juist veel water in de Waddenzee staan. Dit zijn allemaal tijdelijke verschijnselen die horen bij getijdengebieden. Ontstaan zulke verhoging tijdens storm, dan kunnen de gevolgen onomkeerbaar zijn. Onder dit soort omstandigheden zijn eilanden vroeger doormidden gebroken en grote poldergebieden definitief onder water gelopen. Doordat langs bewoonde delen van de waddeneilanden dijken zijn gebouwd, hebben deze extreme natuurkrachten daar nu minder invloed.

De sterke stroming langs de Noordzeekust zoekt zich een weg tussen de eilanden. Tot het water meer ruimte krijgt, snijdt de sterke stroming de randen van de geulen af. Deze kalven hierdoor af en het zand en slik wordt door de stroming meegenomen. Naarmate het water meer ruimte krijgt mindert de stroming vaart en vallen de zwaardere korrels naar de bodem. Hier ontstaan zandplaten. Op sommige plekken valt de stroming bijna helemaal weg omdat twee tegengestelde stromingen elkaar raken. Wanneer het water zo weinig in beweging is, zinken de fijne slibdeeltjes naar de bodem, om zo de slikkige wadplaten te vormen. Waar twee grote stromingen met elkaar in botsing komen ontstaat een wantij. Doordat het water daar bijna helemaal stil komt te staan kunnen ook de allerlichtste deeltjes bezinken, die een grote vlakte vormen. Elke waddeneiland heeft een wantij, dat makkelijk te herkennen is door de wadvlakte die zich uitstrekt vanaf de eilandkust. Wanneer het eb is neemt de stroming weer zand mee uit de Waddenzee.

Van sommige eilanden wordt zand van de Noordzeekust meegenomen naar de Waddenzee, waar het aan de andere kant van het eiland weer neerkomt. Op deze manier 'lopen' de eilanden langzaam maar zeker richting het vaste land. Het eiland rolt zich om. Dat wil zeggen, voor zover dat mogelijk is. Nu er dijken zijn gebouwd langs bewoonde waddeneilanden, wordt dit proces daar belemmerd. De Waddenzee is dus steeds aan het veranderen. Op het ene moment wordt iets opgebouwd, op een ander moment wordt iets afgebroken. Zonder een continue aanvoer van zand, zou de Waddenzee dieper worden en zouden de wadplaten niet meer boven water komen tijdens laagwater. Door dit proces van zandtransporten wordt de zeespiegelstijging bijgehouden.