Ontstaan van de Waddenzee

De Waddenzee van vandaag dankt haar bestaan aan het verleden.

De periode van de oude ijstijden (tot 150.000 jaar geleden)

In de periode van de oude ijstijden was het gebied al af en toe een ondiepe zee waaromheen Engeland, België, Nederland, Duitsland, Denemarken en Noorwegen lagen. Dit gebied, dat tot ver in het huidige vasteland reikte, was tijdens de één na laatste ijstijd bedekt met ijs, en de zeespiegel lag toen zo laag dat zelfs de onbedekte delen van de Noordzee droog stonden. Toen het ijs verdween, begon de bodem weer te stijgen en liep de Noordzee weer vol met water. Er volgde een mild en zacht klimaat. De zeespiegel steeg zelfs hoger dan nu. Zand en grind, achtergelaten door het ijs, werden nu meegenomen door de stroming en kwamen neer langs de ondiepe kust.

De stroming werd beïnvloed door obstakels - overblijfsels van de één na laatste ijstijd. Dit waren stuwwallen en keileemlagen die zo compact waren dat ze stevig op één plek bleven. Delen van Texel en Sylt zijn hier voorbeelden van. Na het smelten van de gletsjers bleven er ook grote stenen achter die nu de Texelse Stenen en het Borkummer Rif heten. Deze obstakels beïnvloedden de stroming en werden bepalend voor hoe de kust zich zou vormen.

De periode na de laatste ijstijd (vanaf 15.000 jaar geleden)

Tijdens de laatste ijstijd werd het water weer gevangen in gletsjers, maar deze keer kwamen ze niet zuidelijker dan noordelijk Duitsland en Denemarken. Het aangrenzende deel van de Noordzee lag wel droog. De overheersende westenwind heeft veel zand in de richting van de Nederlandse, Duitse en Deense kust geblazen. Zo'n 10.000 jaar geleden begon de temperatuur weer te stijgen en smolt het ijs. Smeltwater vanuit het noorden en gezwollen rivieren beukten tegen de drooggevallen kust die toen bestond uit een vrijwel aaneengesloten duinerij, de strandwal. Achter die strandwal bevonden zich grote moerassen. De strandwallen braken in stukken door de druk van de stroming en de geulen werden groter en langer.

Er waren periodes van hoge en lage temperaturen. Zo waren er ook momenten van veel plantengroei, gevolgd door flinke overstromingen waardoor de planten doodgingen. Op die manier zijn er veengebieden ontstaan, die telkens lagen slik over zich heen kregen tijdens overstromingen, waarop zich nieuwe kwelders met planten ontwikkelden. Zeewaarts van de kwelders lagen wadden en slikken. Door de uitmonding van de rivieren en de instroming van zeewater door de doorgebroken strandwal werden de slikken en kwelders doorklieft met geulen. Met hulp van flinke stormen, kwamen de geulen elkaar tegen gedurende de duizenden jaren die volgden. De Waddenzee groeide uit tot een echte zee. Tijdens een grote doorbraak zo'n 1000 jaar geleden werd de Waddenzee verbonden met de Nederlandse Zuiderzee en tegelijkertijd definitief gescheiden van het vaste land. In deze periode ontstonden ook de Duitse Halligen en werd de Leybucht een stuk groter.

Menselijke invloed

Ook de mens heeft een rol gespeeld in de vorming van landschappen in de Waddenzee. Mensen wonen en werken al eeuwenlang in dit gebied. Hoge en droge delen in het vroegere moeras werden verhoogd waardoor terpen ontstonden. Dijken zijn gebouwd waar vroeger water vrij spel had. Delen van de natuurlijke waddenzeekwelders zijn polders geworden, omringd door dijken. In deze polders grazen nu grote grazers, zoals koeien en paarden. Aan de zeekant van de polderdijken ontstaan soms nieuwe kwelders, zoals langs de kust van het vaste land. Vaak heeft de mens hier een handje geholpen. Ook deze kwelders worden regelmatig begraasd, vooral in het Nederlandse gedeelte van de Waddenzee. Geulen die naar havens gaan, moeten bevaarbaar blijven en worden regelmatig uitgebaggerd. Al deze activiteiten beïnvloeden de landschappen, vaak door de stroming te beïnvloeden waardoor zand en slik op andere plekken terechtkomt dan waar het anders was beland.